Zwijgrecht: wat houdt het in?

Geschreven door Rick Jacobs

Stel je voor, je bent verdacht van een strafbaar feit en je wordt opgepakt door de politie. Wat kun je doen? Je kunt je beroepen op het zwijgrecht, hiermee bescherm je jezelf en kun je voorkomen dat je iets zegt wat nadelig voor je kan zijn. Maar wat houdt het zwijgrecht precies in?

Zwijgrecht
Als je wordt opgepakt omdat je verdacht bent van een strafbaar feit, krijg je meestal de mededeling dat je het recht hebt om te zwijgen, dit is de cautieplicht[1]. Dit moet tenminste medegedeeld worden aan de verdachte vóórdat het verhoor plaatsvindt. Ook in het geval dat er niet aan de cautieplicht is voldaan, heb je het recht om te zwijgen. Het doel van deze plicht is dat je niet aan je eigen veroordeling mee hoeft te werken.

Het zwijgrecht is wettelijk vastgelegd in artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna genoemd Art. 29 Sv); “In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, onthoudt de verhoorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft eene verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht.”

Uit het wetsartikel van het zwijgrecht vloeit voort dat de verdachte tijdens een verhoor het recht heeft om geen antwoord te geven op de vragen van de autoriteiten.

De Hoge Raad beschouwt als verhoor in de zin van artikel 29 Sv ‘alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdacht aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit’[2].

Artikel 29 Sv is ingevoerd bij wet van 17 november 2016[3], en trad in werking op 1 maart 2017. De inhoud van het artikel is op zichzelf echter niet nieuw. Om die reden blijft de wetsgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie bij dit oude artikel van belang.

Nemo-tenetur beginsel
Aan art. 29 Sv ligt het belangrijke beginsel ten grondslag dat niemand verplicht of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Het zwijgrecht is een uitwerking van dit beginsel. Dit beginsel vormt een uitgangspunt voor de positie van de verdachte in het strafproces. Het Nemo-Teneturbeginsel is niet absoluut en er zijn uitzonderingen mogelijk, hier wordt later verder op ingegaan.[4]

Vanwege dit beginsel kan niet van de gedachte gevergd worden dat hij tegen zichzelf bewijs levert (Nemo Tenetur prodere se ipsum). Verder ligt het ook vervat in het adagium Nemo Tenetur se ipsam accusare, wat letterlijk vertaald naar “niemand is gehouden zichzelf te beschuldigen”.[5]

Uitzondering
Anders dan bij het zwijgrecht, waarbij je niet gedwongen kunt worden om te spreken, kan men wel gedwongen worden om mee te werken aan het verzamelen of afstaan van bewijs.

Bewijsmateriaal waarvan het bestaan niet afhankelijk is van de wil van de verdachte (‘independent of the will of the accused’) valt namelijk buiten het bereik van het Nemo-Teneturbeginsel, aldus het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Voorbeelden van dergelijk bewijsmateriaal zijn documenten verkregen op basis van een rechterlijk bevel, stem-, adem-, bloed-, urine en haarmonsters maar ook het afnemen van lichaamsweefsel ten behoeve van DNA-analyse.[6]

Naast bovengenoemd wilsonafhankelijk bewijsmateriaal bestaat er ook wilsafhankelijk bewijsmateriaal. Hierbij kun je denken aan documenten waarin een verklaring van de verdachte staat.

Of bewijsmateriaal dat wel afhankelijk is van de wil van de verdachte is verkregen in strijd met het Nemo-Teneturbeginsel beoordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de hand van de volgende criteria:

  1. de aard en de mate van dwang;
  2. het bestaan van procedurele waarborgen; en
  3. het gebruik dat vervolgens is gemaakt van het verkregen bewijsmateriaal

Conclusie
Als je als verdachte wordt opgepakt kun je, niet geheel zonder risico’s, het beste gebruik maken van je zwijgrecht. Dit betekent echter niet dat je nooit hoeft mee te werken. Bij wilsonafhankelijk bewijsmateriaal kan gevergd worden dat je meewerkt. Onder omstandigheden kan zelfs bewijs dat afhankelijk is van de wil van de verdachte onder dwang worden verkregen.

[1] Art. 29 lid 2 Sv: Voor het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden

[2] HR 15 mei 2012, NJ 2012/398 (spontane verklaring tijdens transport); HR 12 juni 2012, NJ 2012/463 (verhoor op straat)

[3] Stb. 2016, 476

[4] https://www.navigator.nl/document/id0c2de1bc8e7543e7a3ecf6cee25d76ac?ctx=WKNL_CSL_582 Dieben/Boksem, T&C Strafvordering, commentaar op art. 29 Sv

[5] https://www.navigator.nl/document/id0c2de1bc8e7543e7a3ecf6cee25d76ac?ctx=WKNL_CSL_582 Dieben/Boksem, T&C Strafvordering, commentaar op art. 29 Sv

[6] ECLI:CE:ECHR:2006:0711JUD005481000, NJ 2007/226, par. 102 (Jalloh/Germany)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *