Partneralimentatie door de jaren heen: van levenslang naar slechts 5 jaren

Partneralimentatie: personen- en familierecht – Indien een persoon na scheiding financieel niet of slechts gedeeltelijk in staat is om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien, moet de ex-partner financieel bijspringen als deze er de financiële ruimte voor heeft.[1]

Het huwelijk: een levenslange verbintenis

Wanneer twee geliefden in het huwelijksbootje stappen en elkaar liefde, trouw en steun beloven, doen zij dit normaal gesproken met het oogmerk om hun leven lang samen te blijven. Zij gaan een levenslange verbintenis aan. Ondanks de belofte het leven samen te delen, is het aanvragen van een echtscheiding in de huidige maatschappij geen bijzonder fenomeen.

Vroeger werd echter sterk vastgehouden aan dit levenslange principe. Een echtscheiding werd in de meeste gevallen gezien als ‘not done’. Zeker ook vanuit religieus oogpunt wat vooral vroeger een belangrijke rol speelde in het leven van mensen.

Het was gebruikelijk dat de vrouw thuis bleef om de zorg voor de kinderen op zich te nemen en het huishouden te verzorgen. Een daadwerkelijke betaalde baan zat er voor haar toentertijd vaak niet in. De man werd echt gezien als de broodwinner. Hij was verantwoordelijk voor het financiële welzijn van zijn gezin. Dit zorgde ervoor dat de vrouw financieel volledig afhankelijk was van haar man. Zij verkeerde in een kwetsbare positie.

Het oud BW

Deze ‘strenge’ kijk op het huwelijk en de echtscheiding was toentertijd ook terug te vinden in de wetgeving en rechtspraak. Zo was het tot de invoering van de echtscheidingswet van 1971 erg lastig om een echtscheiding tot stand te brengen. Het Burgerlijk Wetboek dat in 1838 werd ingevoerd was erg gebaseerd op de conservatieve religieuze familie-ideologie die op dat moment gold. Echtscheiding bij onderlinge overeenstemming was uitdrukkelijk verboden aangezien het sluiten van een overeenkomst inzake de beëindiging van het huwelijk gezien werd als ontheiliging van het huwelijk.

Het oud BW kende slechts vier echtscheidingsgronden (artikel 264 oud BW):

  1. Overspel
  2. Kwaadwillige verlating (van minstens vijf jaar)
  3. Veroordeling wegens een misdrijf tot een vrijheidsstraf van vier jaar of langer
  4. Zware verwondingen of mishandelingen door de ene echtgenoot gepleegd jegens de anders

De echtscheiding kon slechts door de onschuldige echtgenoot worden gevorderd. Ook kon de partneralimentatie alleen ten behoeve van de onschuldige echtgenoot worden opgelegd indien deze onvoldoende inkomsten tot levensonderhoud had. Daarnaast werd in het oud BW vastgesteld dat de alimentatieverplichting pas eindigde bij de dood van de betalende of de ontvangende echtgenoot. Het verbreken van het huwelijk maakte geen einde aan de onderhoudsplicht. Deze was levenslang. [2] [3]

Maatschappelijke verandering en de ‘Groote Leugen’

Pas in 1971 kwam hier echt verandering in, al hebben in de voorafgaande periode wel een aantal kleine wijzigingen plaatsgevonden als gevolg van jurisprudentie van de Hoge Raad.
De maatschappij was aan het veranderen en de wetgever kwam tot de realisatie dat de echtscheiding en de partneralimentatie, zoals deze geregeld waren in het oud BW, niet langer aansloten bij de vernieuwde visie en jurisprudentie. De waarde die aan het geloof werd gehecht en de invloed die het geloof uitoefende op het leven van de mensen, nam langzaam aan af. Een echtscheiding werd steeds minder gezien als een schande. Ook is de positie van de vrouw veranderd. Zij verkregen meer zeggenschap en mogelijkheden tot zelfstandigheid.

In 1968 liet minister Polak van Justitie  weten erg ontevreden te zijn over het feit dat echtparen een manier hadden gevonden om de huidige wet te omzeilen. Dit deden zij door leugens te verkondigen over overspel waarna het huwelijk werd ontbonden. Ook wel bekend als de ‘Groote Leugen’. Sommige echtparen kozen er overigens voor om te scheiden van tafel en bed om vervolgens gewoon een nieuw gezin te starten.

Minister Polak was echter niet de eerste die de ‘Groote Leugen’ probeerde aan te pakken. In de voorgaande jaren is meermaals geprobeerd het echtscheidingsrecht te wijzigen. Zonder resultaat, er werd uiteindelijk nooit overeenstemming bereikt over de wijze waarop dit diende te gebeuren [4] [5] [6]

Nieuwe echtscheidingsgrond: duurzame ontwrichting

Minister Polak pleitte voor een nieuwe schuldloze echtscheidingsgrond die de oude zou gaan vervangen: duurzame ontwrichting van het huwelijk. De echtscheiding kon geschieden op eenzijdig of gemeenschappelijk verzoek. Deze wetswijziging kwam er echter niet zonder slag of stoot doorheen. Vooral de christelijke partijen hadden er moeite mee.

Ook het partneralimentatierecht ging op de schop. Het idee dat slechts de ‘schuldloze’ echtgenoot recht kon hebben op alimentatie werd losgelaten. Voortaan zou slechts de behoeftigheid van echtgenoten gelden als vereiste. De invoering van artikel 1:160 BW zorgde eveneens voor een belangrijke wijziging. Voortaan zou de alimentatieplicht ook eindigen in geval de alimentatiegerechtigde hertrouwde of daaraan gelijkgesteld samenwoonde. Zo ontstond er een uitzondering op het levenslange uitgangspunt van de onderhoudsplicht.

Minister Polak verwachtte niet dat het aantal echtscheidingen sterk zou toenemen maar niets was minder waar. De wetswijziging voorzag in een grote behoefte en zo nam het aantal echtscheidingen fors toe.

Tevens werd vanaf de jaren 70 steeds verder afgestapt van de visie dat het huwelijk op zich rechtvaardigde dat de ene partner levenslang de andere partner moest onderhouden. Voorheen was het in de meeste gevallen de man die de vrouw moest onderhouden. Ten tijde van de invoering van het oud BW was het niet realistisch om van de vrouw te verwachten dat zij in haar eigen onderhoud kon voorzien door middel van werk. Inmiddels was de positie van de vrouw echter sterk veranderd en werd zij steeds beter in staat gesteld een beroep naar keuze uit te oefenen en te voorzien in haar eigen levensonderhoud. Voortaan kon van beide echtgenoten worden verwacht dat zij in hun eigen levensonderhoud zouden voorzien. Zo werd in 1968 in artikel 1:81 BW vastgelegd dat echtelieden elkaar het nodige dienen te verschaffen. Dit artikel veranderde de verplichting aan de man om huishoudgeld aan de vrouw te verstrekken, in een wederzijdse plicht.

Minister Polak zag dit echter niet als reden om vrouwen de arbeidsmarkt op te jagen. Hij was van mening dat indien echtparen tijdens het huwelijk besloten dat de vrouw zich volledig op gezin en huishouding zou richten, de man hier ook de gevolgen van diende te dragen in het geval dit huwelijk beëindigd werd. Voor deze vrouwen was het lastiger een zelfstandig bestaan op te bouwen. Vandaar dat er toentertijd nog voor gekozen werd geen algemene limitering aan de alimentatieduur te verbinden. In de hierop volgende periode ontstond er echter steeds meer ontevredenheid over de onbepaalde duur van de partneralimentatie.[7] [8]

Wettelijke limitering partneralimentatie

Pas in 1994 werd voor het eerst een wettelijke limitering van de partneralimentatie ingevoerd. Vanaf dat moment werd een maximale periode van twaalf jaar vastgesteld voor huwelijken van vijf jaar en langer of huwelijken waaruit een kind is geboren. Voor de huwelijken die korter hebben geduurd dan vijf jaar en waaruit geen kind is geboren kwam een aparte regeling. In deze gevallen zou de duur van de partneralimentatie gelijk komen te staan aan de duur van het huwelijk. In schrijnende gevallen kon een verzoek worden gedaan om de alimentatietermijn te verlengen.

Bij het maken van de keuze voor deze termijnen is gekeken naar de opvattingen van de werkgroep Lukács. Deze werkgroep was opgericht door de regering en had het opstellen van limiteringmodellen als taak. Daarnaast werd er een opinieonderzoek uitgevoerd onder de Nederlandse bevolking. Uit dit onderzoek kwam dat het merendeel van de bevolking voorstander was een in tijd begrensde onderhoudsplicht.

De regering noemde als grond dat de ‘huwelijksgerelateerde behoeftigheid vaak na zekere tijd [is] uitgewerkt’. De regering was van mening dat indien de behoeftige echtgenoot na deze termijn nog niet in eigen levensonderhoud kon voorzien, dit niet meer toegerekend kan worden aan de omstandigheden van het huwelijk. In die gevallen kan het te maken hebben met andere omstandigheden zoals de arbeidsmarkt. Daarnaast gebruikte de regering als motivering dat een levenslange alimentatieplicht in het algemeen als onredelijk werd gezien. Terugkeer naar de arbeidsmarkt was het streven.

De keuze voor een termijn van twaalf jaar was vooral gebaseerd op de situatie waarin een kind wordt geboren vlak voor de echtscheiding. Deze termijn van twaalf jaar werd vooral gezien in het belang van het kind. De verzorgende ouder zou zo de mogelijkheid krijgen om genoeg tijd de besteden aan het kind. Zodra het kind echter de leeftijd van twaalf jaar zou bereiken en de overstap zou maken naar de middelbare school, kon van deze ouder verwacht worden dat deze terug zou gaan naar de arbeidsmarkt en op die manier in het eigen levensonderhoud te voorzien. [9]

Het nieuwe wetsvoorstel

Nog altijd bestaat er discussie over de partneralimentatie. Is het nog wel van deze tijd? Maakt het de ander niet te afhankelijk? Is het bedrag niet te hoog? Is de duur niet te lang? Maar ook vragen als: wordt er wel genoeg rekening gehouden met de positie van de verzorgende ouder? Hoe zit het met partners die op hoge leeftijd opeens in hun eigen levensonderhoud moeten voorzien?

Momenteel ligt er een nieuw initiatiefvoorstel op tafel waarbij wordt ingegaan op de kritiek en vragen over het huidige stelsel van partneralimentatie: Het initiatiefvoorstel-Van Oosten, Kuiken en Groothuizen Wet herziening partneralimentatie. Dit voorstel is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer.  [10] [11]

Slotwoord

Het stelsel van de echtscheiding en de partneralimentatie is door de jaren heen flink hervormd. De maatschappij veranderde. Zo vond er een emancipatiegolf plaats en nam de greep die de kerk op de maatschappij had steeds verder af. Hierdoor werd de kijk op het huwelijk, de echtscheiding en de partneralimentatie anders en ontstond er vraag naar modernisering van de toen geldende rechtsregels. Nog altijd vindt er discussie plaats over de duur van de partneralimentatie. Vandaar dat er een nieuw wetsvoorstel is ingediend om de huidige regeling te herzien.

In mijn volgende blog zal ik verder ingaan op dit wetsvoorstel en de veranderingen die het met zich mee zal brengen.

Geschreven door: Mylena Wallet


[1] Juridisch woordenboek
https://www.juridischwoordenboek.nl/zoek/partneralimentatie

[2] N.D. Spalter, Grondslagen van partneralimentatie, Boom Juridische uitgevers, 2013.

[3] Memorie van toelichting, Initiatiefvoorstel-Van Oosten, Kuiken en Groothuizen Wet herziening partneralimentatie.

[4] Mh1903, Uit elkaar. Echtscheiding door de eeuwen heen, 2016.
https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/164759-uit-elkaar-echtscheiding-door-de-eeuwen-heen.html

[5]  VPRO, Andere tijden: De gote leugen; de echtscheidingswet van 1971, 2014
https://www.vpro.nl/speel~NPS_1237504~de-gote-leugen-de-echtscheidingswet-van-1971-andere-tijden~.html

[6] N.D. Spalter, Grondslagen van partneralimentatie

[7] Memorie van toelichting, wet herziening partneralimentatie

[8] Mirjam Janssen, Einde van de grote leugen, Historisch Nieuwsblad 1/2011
https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/27171/einde-van-de-grote-leugen.html

[9] N.D. Spalter, Grondslagen van partneralimentatie

[10] Memorie van toelichting, wet herziening partneralimentatie

[11] Initiatiefvoorstel-Van Oosten, Kuiken en Groothuizen Wet herziening partneralimentatie, Eerste kamer der Staten-Generaal
https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34231_initiatiefvoorstel_van

Please follow and like us:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *